zondag 7 juni 2020

Figment van mijn Fantasie.

Dag mijn lieve,
 
Na al die jaren, doem jij weer op voor mijn geestesoog. Dat doe jij, eens in de zoveel jaar. Dan nestel jij je weer warm en zacht in mijn hart, mijn verlangen. Je laat me weer twijfelen, aan alles wat me lief is en waar ik vandaan kom.
 
Waarom weet ik ook niet. Je bent immers een stukje van mijn fantasie. Gebaseerd op één avond van warme, zwoele kussen en de eerste contacten met erotiek. Ik wist niet eens wat er gebeurde. Ik liet je begaan, omdat ik niet besefte wat er gebeurde. En ik liet me meevoeren in een zoete wolk van verlangen, voer mee op jouw aanwijzingen.
 
Je had het heel tactisch aangepakt, vanaf het moment dat we door een maat van jou aan elkaar waren voorgesteld. Je pakte me in met een grote strik er omheen. Hoffelijkheid ten top. Kleine toespelingen, maar rustig aan. Guitige en schalkse blikken. Had je door dat ik nog maagd was? Zag je dat ik zo bleu was als wat? Je gaf me die avond tenminste een kus op mijn hand. En omdat ik ook niet wist wat er gebeurde, sloeg je me daarmee al van mijn sokkel af. Afmakend met: 'Als jij er ook bent' op mijn vraag of je er volgende week ook weer zou zijn.
Ik weet nog dat ik een klein beetje geschrokken naast mijn vriendin op een stoel zakte. 'Nou, dat is hem dan. Mijn man' zuchtte ik naar haar. Ze wist niet wat ze horen. Die wilde, niet te stuiten onafhankelijke jonge meid zat week op haar stoeltje. Reddeloos verloren.
En de week erop was je er weer. Maar niet alleen, of alleen met die ene maat die er de vorige keer ook was. Je had een hele ploeg mensen mee, die me allemaal even hartelijk onthaalden en enthousiast vertelden over hoe leuk je wel was. Ik bevestigde dat steeds maar verlegen. Ik voelde me een beetje in een hoek gedreven en had niet door wat er gebeurde. Ja, ik wist het weer niet. Ik voelde me net een ree, dat met grote ogen verstijfd in de grote koplampen van een aanstormende auto kijkt. Al die mensen, al dat enthousiasme.
Nu vraag ik me af wat jij allemaal over mij gezegd hebt, tegen ze. Ze kwamen immers allemaal alleen om mij te ontmoeten. Het ging allemaal om mij. Ik werd er verlegen van.
En wat waren jouw vrienden leuk. Ik heb zo met ze gelachen, al voelde ik me vaak dom. Ze leken allemaal op de universiteit te zitten. Ik dacht dat ik veel gelezen had, maar dat bleek in het niet te vallen bij jouw vrienden. Allemaal hoog opgeleide mensen. Kwam ik aan met mijn poging om de avond havo te halen.
Waarom wilde je dat zij mij allemaal ontmoetten? Of waren ze er omdat de barman, die maat van jouw die ons aan elkaar voorstelde, gepraat had? Ik heb namelijk begrepen dat er iets gebeurd was, waardoor jij opveerde dat ik voorbij gekomen was die week ervoor. Dat je zoiets had van 'Wie IS dat? Je MOET me aan haar voorstellen. Ik moet haar spreken.'
Die barman heeft nog even op me in moeten praten om me zover te krijgen. Ik had helemaal geen zin om te kletsen met de vrienden van de barman.
Ik kan me niet veel herinneren van die avond verder. Want dat is al lang geleden, maar ik was ook het meeste met jou bezig. De rest van de wereld leek niet te bestaan. Ik zag alleen die donkere krullen en grijze ogen. Ik verdronk. En zo naïef als ik was, had ik dat niet eens door.
We gingen samen weg de week van al jou vrienden, de rest van de ploeg was allang vertrokken. Ik bracht je met mijn fiets naar de jouwe, die stond elders. Nou ja. Jij trok mijn fiets uit de handen en stapte op. Ik moest achterop springen. Dus je hebt wel heel hoffelijk gefietst. En bij jouw fiets, gaf je mij de mijne terug.
Ik wilde gewoon gedag zeggen en naar huis, maar jij vroeg snel of je mij een zoen mocht geven. Daar moest ik even over nadenken. Heel even maar. Maar ik vond het goed, tuitte mijn lippen en mikte op je wang. Dat was jouw plan echter niet, dus op het laatste moment draaide jij bliksemsnel van richting, waardoor jouw lippen vol op die van mij terecht kwamen.
Elektriciteit. Een trilling van mijn kruin tot mijn tenen en een trekkend, zeurend gevoel in mijn kruis. Maar zo verbijsterd als ik was, kwam ik niet verder dan een zacht: 'Dat had ik niet verwacht.'
'Ik ook niet' zei jij, met een schalks lachje. Maar volgens mij zag jij ook wel dat ik dat niet geloofde.
Bij de tweede kus was het nog sterker. Nu wist ik immers wat er komen ging. En besefte ik pas hoe erg jij me ingepakt had. Ik merkte toen pas hoe verliefd ik echt was.
Ik wilde met je mee, waar naartoe dan ook. Al was je naar de andere kant van de wereld gegaan, ik wilde in jouw hart, in jouw ziel. Want daar had jij je bij mij ook genesteld.
Ik had mijn fiets tegen de muur gezet. En daar kuste je me nog een keer. Je duwde me tegen de muur, zette één been tussen die van mij en kuste, vol en met overtuiging. En je reageerde enthousiast toen bleek dat ik geluid maak, wanneer ik ergens van geniet en dus ook bij de kus. (Ondertussen kan ik verklappen dat ik bij alles waar ik van geniet geluid maar. Het is een soort kompas. Hoe meer en harder geluid, hoe beter ik me vermaak.) Ik schaamde me in het begin een beetje daarvoor. Maar die schroom verdween toen ik doorkreeg dat je het echt leuk vond, die geluidjes.
Hoe het gebeurd was weet ik niet meer. In ene leek mijn jas half open te zijn. En jouw vingers gleden zoekend mijn decolleté in. Niet te ver, precies tussen de V-hals van mijn truitje. Je leek door te hebben dat je niet te pertinent en vrijpostig moest doen. Maar het was wel genoeg. Mijn baarmoeder draaide en werd week. Langzaam gleed ik naar beneden en het duurde best een tijdje voordat ik weer een beetje fatsoenlijk op mijn benen kon staan. Er ontwaakte een oerkracht en verlangen, die ik nauwelijks in toom kon houden. Golven van verlangen en genot. Warmte op plekken waarvan ik niet wist dat het kon.
Op een roze wolk ging ik naar huis. En dat je een paar dagen later belde was ik in de zevende hemel.
Dat we elkaar weer zagen, was je minder gretig met je kus. Ik keek je nog aan en begreep het niet. Voelde wel dat er wat was, maar kon er mijn vinger niet op leggen. We deden een lekker biertje in een proeflokaal en hebben zitten lachen en kletsen. Ik was de twijfel al snel vergeten. Ik wilde je stem horen, luisteren naar wat je te zeggen had en mij plooien om jouw verlangens en wensen. Ik wilde ervoor zorgen dat er geen andere dame meer nodig was. Ik ben alles en iedereen die je wilt.

Mijn hart brak, toen ik de brief vond waarin je zei dit niet te kunnen voortzetten. Dat je het nooit had mogen doen, maar dat je mij verleid had omwille van het verleiden. Dat je wist dat je van me kon houden, maar dat nu niet deed. En dat je niet van mij kon verwachten dat ik op jou ging zitten wachten.
O, mijn lief. Je hebt me gebroken. De twee keer dat we elkaar nog gezien hebben en je dit zei, ik stierf. Omdat ik niet bij je weg wilde. Omdat ik naast je wilde blijven lopen. Om als een discipel je woorden op te vangen en die eigen te maken. Om mij te laten vormen tot een vrouw. En op zich wilde ik best op je wachten. Maar dat mocht niet van jou.
Wees trots, mijn lieve. Je gaf me de opdracht om jou te vergeten en verder te gaan. Ik heb niet alleen naar je geluisterd, ik heb ook daadwerkelijk gedaan wat je van me vroeg. Jij bent de enige naar wie ik niet alleen geluisterd heb, ik deed ook wat je me opdroeg. Jij bent de enige man naar wie ik geluisterd heb en deed wat hij zei.
Ik wachtte niet. Ik stortte me in de armen van een ander. En toen die me bleek te slaan, omdat hij met me naar bed wilde en ik niet met hem, vluchtte ik naar weer een ander. Dat werd ook niks, want hij bleek een egoïst zonder tact te zijn die geen begrip had voor de angsten van een maagd. Dus uiteindelijk kwam ik iemand van vroeger tegen en ging met hem mee. Dat werd wel iets, voor 14 maanden.
Jij hebt me in die tijd nog een keer gebeld, om te vragen hoe het met me ging. Ik had verteld dat ik geslagen was, waar je geschrokken en bezorgd op reageerde. Maar je klonk teleurgesteld toen ik vertelde dat ik een vriendje had.
Was dat niet je bedoeling geweest? Had je gehoopt dat je terug kon komen? Lieve, waarschijnlijk had je dat gekund, als je dat gezegd had. Als jij had gezegd dat je me terug wilde, had ik het uitgemaakt en twee weken later bij je op de stoep gestaan. Ik had me in je armen geworpen, op je borst gebonkt en gezegd dat je het deze keer maar beter niet kunt verpesten. En vervolgens had je alles met me kunnen doen wat je maar wilde. Weigeren kon ik toch niet meer. Volledig in jouw ban.
 
En dat ben ik nog wel een beetje. Al besef ik dat het nu gestoeld is op een verlangen. Een heimwee naar een tijd dat de wereld iets minder gecompliceerd was. En aangezien jij mijn eerste positieve ervaring was met lust en erotiek, hang jij dus in mijn geest. En je hebt de aanzet gegeven voor menig erotisch epistel.
Begrijp me goed. Geen één van die epistels is over jou. En voor zover ik weet zijn ze ook niet voor jou. Maar je hebt wel de vrouw in mij wakker gemaakt. Die roerde zich en begon te schrijven over verlangen, erotiek, hartstocht en passie. En ik ben soms wel eens benieuwd naar wat je gedaan zou hebben, als je die epistels gehoord of gelezen had. Zou jij wel in de pen geklommen zijn en hebben geantwoord? Ik wacht nog steeds op iemand die dat doet. Hele epistels, lange gedichten. Ik zag jou ervoor aan om mijn gedichten te beluisteren en dan te reageren.
 Maar jij bent er niet bij. Jij behoort mij nu niet toe.
Dus, mijn lieve. Ik weet dat ik je moet wegsturen. Ik ben getrouwd ondertussen. Heb een hoop ellende meegemaakt. En mijn droom van 'Eerste man en enige man' is niet uitgekomen. Die droom hing bij jou. En blijft daar hangen in de mist van vroeger, om te vervagen in de tijd.
Ik ga ervan uit dat jij ook getrouwd bent. Ben je die predikant geworden? Heb je kinderen? Ben je dat lichtend baken in een zee van duisternis? Ik zag dat in jou en viel daarvoor. Helderheid. Een baken van vrede en rust. Gods Licht, in een man van Zijn Woord. Ben je gelukkig?
Ik hoop het. Ik hoop dat je gelukkig bent. Met vrouw en kinderen, vrede en liefde brengend in de omgeving. God weet dat we dat nodig hebben. En jij kunt leiden. Leid de mensen naar liefde en vrede. Door de duisternis naar Zijn verlossing.
 
Iets in mij zegt dat jij en ik elkaar weer tegen zullen komen. Dat dit vanzelf zo moet zijn. Misschien is dat zo, misschien komen we elkaar op weg naar hemel en hel pas tegen. Dan zal ik je nog één keer vertellen hoe het met me gaat. Maar dit keer zal ik niet liegen en zeggen dat het goed gaat, zoals toen je me belde. Ik zal eerlijk zeggen waar ik heenga en waarom. En dat ik je verschrikkelijk mis en het liefst die ene keer dat je belde gevraagd had of ik je mocht zien. Maar ik moet nu weg. Ik moet mijn weg nog vinden door het duister.
 
En tot die tijd laat ik je los.
Jij moet jouw weg, ik de mijne.
Wanneer onze paden elkaar weer kruizen,
Omdat God dat zo wil,
Zal ik je volgen.
Tot die tijd moeten we dwalen,
Ieder op ons eigen pad.
Jij langs wegen van licht en vrede,
Ik dobberend over golven van vertwijfeling.
Misschien mag ook ik ooit weer naar Huis,
En ontmoeten we elkaar daar.
Tot die tijd....
Voel de kus die mijn lippen bij je achterlaten.
Als belofte van ooit,
Maar niet nu.

Alsjeblieft
Ik durf nog niet naar huis.
 
Geheel de Jouwe,
 
Mystic M.
 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten